Communicatie

Theorie:

Wat is communicatie?

Communiceren heeft als doel om informatie te overbrengen, wensen, gevoelens en ideeën. Binnen de zorg communiceer je met je collega’s om bijv. te bespreken wie wat gaat doen die dag en met de zorgvrager communiceer je over hun dagindeling, wat ze aan willen trekken qua kleding etc.

Soorten communicatie:

Verbale communicatie:

Communicatie met woorden en gesproken taal

Non-verbale communicatie:

Communicatie zonder woorden en zonder gesproken taal

Als je met iemand praat is het belangrijk om te letten op wat iemand zegt maar ook om te kijken naar het gezicht en lichaamshouding. Misschien zegt iemand dat het wel goed gaat maar zie je een twijfel in het gezicht, hier kun je dan op doorgaan. Benoem dit ook vooral, door het benoemen voorkom je misverstanden.

Actief luisteren:

Het is belangrijk om te horen wat een ander tegen je zegt maar ook dat je begrijpt/onthoudt wat de ander bedoeld. Je kijkt de persoon die praat aan, zorg ervoor dat je niet wordt afgeleid door iets om je heen zoals de televisie of een device. Je focust dus op de persoon waarmee je een gesprek voert.

Hoe moet je nou actief luisteren?

  • Oogcontact maken
  • De tijd nemen
  • De ander laten uitpraten
  • Non-verbale signalen oppakken
  • Af en toe knikken
  • Niet afleiden
  • Stiltes laten vallen om de rust te bewaren

LSD:

Luisteren, samenvatten en doorvragen, LSD zorgt ervoor dat je de zorgvrager het gevoel krijgt dat er ook echt naar hem wordt geluisterd. Het is belangrijk om diegene die verteld aan te kijken, het verhaal te gaan samenvatten om aan te tonen dat je het begrijpt en bij onduidelijkheden vraag je door.

Open en gesloten vragen:

Open vragen zorgen ervoor dat je veel informatie krijgt, alle antwoorden zijn mogelijk. Voordat je een open vraag stelt ga je nadenken hoe je de vraag gaat stellen. Open vragen begin je altijd met wat, waar, wie, welke, wanneer en hoe.

Gesloten vragen zijn maar beperkte antwoorden mogelijk, hierdoor krijg je niet altijd alle informatie. Je begint een gesloten vraag met een werkwoord. Het antwoord is meestal ja of nee.

Opdrachten: